Pancratiusparochie Sloten






Delen:
meld deze pagina op Twitter meld deze pagina op Facebook
Volgen:
link naar de RSS Feed van de laatste nieuwsberichten volg Pancratiusparochie op Twitter volg Pancratiusparochie op Facebook

Lezingen 3e Zondag in de Veertigdagentijd A

gepubliceerd: vrijdag, 13 maart 2020

Bijbel­le­zingen voor de derde zon­dag in de Veer­tig­da­gen­tijd A

Eerste lezing uit Exodus 17,3-7

In die dagen leden de Israëlieten tij­dens de woes­tijn­tocht hevige dorst. Zij bleven tegen Mozes morren en zei­den: "Waarom hebt gij ons wegge­voerd uit Egypte als we toch met kin­de­ren en vee van dorst moeten sterven?" Mozes klaagde zijn nood bij de Heer: "Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen." De Heer gaf Mozes ten ant­woord: "Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit, neem in uw hand de staf waar­mee ge de Nijl geslagen hebt en begeef u op weg. Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uit­stro­men zodat de mensen kunnen drinken." Mozes deed dat in het bij­zijn van Israëls oudsten. Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten der Israëlieten en omdat zij de Heer had­den uitgedaagd door zich af te vragen: Is de Heer nu bij ons of niet?

Tweede lezing uit Romeinen 5,1-2.5-8

Broe­ders en zusters, gerecht­vaar­digd door het geloof, leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. Hij is het, die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heer­lijk­heid Gods. En die hoop wordt niet teleur­ge­steld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd ge­schon­ken: Christus is immers voor godde­lozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren. Men zal niet licht iemand vin­den die zijn leven geeft voor een recht­vaar­dige, al zou mis­schien iemand in een bepaald geval dit van zich kunnen ver­krij­gen. God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zon­daars waren.

Evan­ge­lie van Johannes 4,5-15.19b-26.39a.40-42

In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. Daar bevond zich de bron van Jakob en vermoeid van de tocht ging Jezus zomaar bij deze bron zitten. Het was rond het mid­daguur. Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten zei Jezus tot haar: "Geef Mij te drinken." De leer­lin­gen waren name­lijk naar de stad gegaan om levens­mid­de­len te kopen. De Samari­taanse zei tot Hem: "Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samari­taanse?" Joden name­lijk onder­hou­den geen betrek­kingen met de Samaritanen. Jezus gaf ten ant­woord: "Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en als ge wist Wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven." Daarop zei de vrouw tot Hem: "Heer, Ge hebt niet eens een emmer en de put is diep: waar haalt Ge dan dat levende water vandaan? Zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?" Jezus ant­woordde haar: "Ie­der­een die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwig­heid geen dorst meer; integen­deel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een water­bron wor­den, opborrelend tot eeuwig leven." Hierop zei de vrouw tot Hem: "Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en hier niet meer moet komen om te putten. Ik zie dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen aanba­den op die berg daar, en gij, Joden, zegt dat in Jeru­za­lem de plaats is waar men aanbid­den moet." "Geloof Mij, vrouw," zei Jezus haar, "er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeru­za­lem de Vader zult aanbid­den. Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbid­den wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt. Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbid­ders de Vader zullen aanbid­den in geest en waar­heid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbid­den. God is geest, en wie Hem aanbid­den, moeten Hem in geest en waar­heid aanbid­den." De vrouw zei Hem: "Ik weet dat de Messias (dat wil zeggen: de Gezalfde) komt, en wanneer Die komt zal Hij ons alles ver­kon­di­gen." Jezus zei tot haar: "Dat ben Ik, die met u spreek." Vele Samaritanen uit de stad geloof­den in Hem. Toen dus de Samaritanen bij Hem geko­men waren, ver­zochten zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef er dan ook twee dagen en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof. Tot de vrouw zei­den ze: "Niet lan­ger geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze wer­ke­lijk de red­der van de wereld is."